De niet-bijdrager aan liefdadigheid

We zijn stellig overtuigd van het standpunt dat het een zegen is om te geven aan liefdadigheid. Dat het deugdzaam, fatsoenlijk, goed, juist, respectabel, altruïstisch en sympathiek is. In overeenstemming daarmee wordt de weigering om te geven aan liefdadigheid onthaald op minachting, hoon, ongeloof en afschuw. Degene die weigert te geven aan liefdadigheid wordt gezien als een paria.

Deze sociologische verplichting wordt onderschreven door legers bedelaars, fondsenwervers, geestelijken en andere "behoeftige" groepen. We worden aangemoedigd vanaf de kansel en via de media , door de harikrishna's en de bedelaars, de kreupelen, de hulpelozen, de armen en de neerslachtigen.

Bijdragen aan liefdadigheid op zichzelf is niet slecht. Wanneer het een vrijwillige beslissing is van de kant van verantwoordelijke volwassenen, schendt het niemands individuele rechten. Er zijn echter risico's verbonden aan liefdadigheid en er zijn overtuigende redenen om te weigeren bij te dragen. Bovendien zitten er belangrijke fouten in de morele filosofie waarop liefdadigheid is gebaseerd.


Charles Darwin
(1809 -1882)
De gevaren van liefdadigheid
Een van de slechtste aspecten van liefdadigheid en een van de meest overtuigende redenen om te weigeren er aan bij te dragen is dat het tussenbeide komt in de overleving van de menselijke soort. Volgens het Darwiniaanse principe "de overleving van de meest aangepaste" worden de organismen die het beste in staat zijn te bestaan in een bepaalde omgeving "natuurlijk geselecteerd" (omdat ze een groter talent tonen om in leven te blijven tot de leeftijd van vruchtbaarheid en dus meer kans maken nageslacht achter te laten). Op de lange termijn leidt dat tot een soort waarvan de leden een grotere vaardigheid hebben te overleven. Dit houdt niet in dat de sterken de zwakken "afmaken", zoals wel wordt beweerd. Het betekent slechts dat de sterken succesvoller zijn dan de zwakkeren in het voortbrengen van nageslacht van de soort. Op die manier continueren de meest vaardigen zichzelf en de soort bloeit.

Sommigen beweren dat de wet van natuurlijke selectie niet opgaat voor de moderne samenleving. Critici wijzen op kunstmatige niermachines, open hart chirurgie en andere wetenschappelijke doorbraken, en voeren aan dat de overlevingswet van Darwin wordt tenietgedaan door de moderne wetenschap. Want mensen met ziekten en genetische gebreken, die in het verleden leidden tot een vroegtijdige dood, leven vandaag de dag door om zich voort te planten.

Dit toont echter niet aan dat de Darwiniaanse wet niet van toepassing is. De moderne wetenschappelijke doorbraken hebben Darwins wet niet "herroepen", maar alleen maar specifieke gevallen veranderd waarop hij van toepassing is.

In het verleden konden een hart- of nierstoornis leiden tot voortijdige sterfte en daarmee vormden deze eigenschappen een belemmering voor menselijk overleven. Maar met de opkomst van moderne medische ontwikkelingen zijn medische gebreken steeds minder belangrijk geworden bij de natuurlijke selectie. Wat meer en meer belangrijk wordt is de vaardigheid om op een volle planeet te leven.

Eigenschappen die een hinderpaal vormen voor overleving zijn o.a. allergie voor rook en extreem twistziek of strijdlustig zijn. Deze eigenschappen verminderen i.h.a. de vaardigheid van een persoon om in leven te blijven tot de leeftijd van volwassenheid. Ze verminderen iemands kansen om een situatie in stand te houden (huwelijk, werk) waarin voortplanting mogelijk is. Dus als de Darwiniaanse wetten vrijgelaten worden om hun werk te doen, zullen dit soort negatieve eigenschappen verdwijnen. Maar wanneer liefdadigheid uitgebreid wordt, zullen deze schadelijke eigenschappen worden doorgegeven aan de volgende generatie.


Adam Smith
(1723 - 1790)
Hoewel dit soort liefdadigheid onmiskenbaar schadelijk is, is het, als het tenminste een privé-aangelegenheid is, beperkt in omvang door een soort Darwiniaanse wet die van toepassing is op de gevers: zij moeten een deel van de last dragen van de schade die ze veroorzaken. Ze worden dus als het ware geleid door Adam Smiths "onzichtbare hand" om hun giften te reduceren. Als bijvoorbeeld ouderlijke liefdadigheid neerkomt op "het sparen van de roede en het verpesten van het kind" zal een deel van de schadelijke gevolgen op de ouders neerkomen. Het ervaren van deze verwende kinderen zal de gever intomen. (Veel van de ouders die hun volwassen "hippie" kinderen steunden gedurende de jaren zestig, stopten met hun steun toen ze zelf leden onder de kwalijke gevolgen). Particuliere liefdadigheid heeft ook een ingebouwde beperking omdat elk privé-vermogen beperkt is. In het geval van publieke liefdadigheid is dat aanzienlijk anders.

Bij publieke liefdadigheid zijn alle natuurlijke barrières vrijwel afwezig. Het is zeldzaam wanneer publieke liefdadigheid verminderd wordt vanwege de schadelijke gevolgen. De hoeveelheid geld die de overheid ter beschikking staat is alleen gelimiteerd door haar behoefte aan belastingen en haar mogelijkheid deze op te leggen aan onwillige onderdanen.

Een voorbeeld hiervan is de Amerikaanse buitenlandse hulp van de jaren vijftig en zestig. De regering van de Verenigde Staten betaalde boeren meer dan de marktprijs voor hun producten waardoor enorme overschotten gecreëerd werden en waarvoor dus steeds meer geld nodig was. Grote hoeveelheden van deze goederen werden naar landen gestuurd zoals India waar de binnenlandse agrarische industrie vrijwel geruïneerd werd door deze gesubsidieerde import. [Dit geldt natuurlijk ook voor het landbouwbeleid van de EU, E.D.].

Andere schadelijke gevolgen van overheidsliefdadigheid werden opgeschreven door een aantal sociologen. G. William Domhoff toonde in zijn boek "The higher Circles" (Amazon.com) aan dat liefdadigheidsinstituten zoals schadevergoeding aan arbeiders bij ongevallen, CAO's, werkloosheidsverzekeringen en welzijnsprogramma's niet gestart werden door beschermers van de armen, zoals algemeen wordt aangenomen, maar door de rijken. Deze programma's steunen de belangen van hun eigen klasse. Het doel van dit liefdadigheidsstelsel van staatswege is niet de herverdeling van rijkdom van rijk naar arm, maar de potentiële leiders van de armen omkopen en ze hechten aan de hegemonie van de heersende klasse, terwijl een intellectuele klasse behouden blijft die vastbesloten is een onwetend publiek te overtuigen van de voordelen van overheidsliefdadigheid.

Op een zelfde manier wijzen Piven en Cloward in "Regulating the Poor 1" erop dat 'liefdadige' instellingen als de bijstand niet zozeer de armen helpen, maar ze eerder onderdrukken. De modus operandi is om de uitkeringen niet te verhogen in tijden van grote nood maar in tijden van sociale onrust en ze te reduceren in tijden van sociale rust en niet van overschot. Het systeem van welzijnszorg is dus een soort "brood en spelen", een methode om de massa's onder controle te houden.

1 Amazon.com: Piven, Frances F., and Richard A. Cloward, Regulating the poor, Random House, 1971.

De filosofie achter liefdadigheid
Ondanks deze problemen zijn er mensen die liefdadigheid zien als een zegening en vinden het bijdragen eraan een morele verplichting. Zulke mensen zouden liefdadigheid verplicht stellen als ze de macht daartoe zouden hebben. Als een daad echter onder dwang wordt gedaan is het geen liefdadigheid, aangezien liefdadigheid gedefinieerd is als een vrijwillige gift. Als een individu gedwongen wordt te geven, levert hij geen bijdrage aan liefdadigheid maar is hij het slachtoffer van beroving.

Voor degenen die willen dat liefdadigheid verplicht wordt gemaakt - even niet lettend op de logische en taalkundige problemen - is de essentie van liefdadigheid dat het een plicht, een moreel gebod is om voor de minder bedeelden te zorgen. Het uitgangspunt is dat we allen elkaars broeders hoeders zijn. Deze filosofie spreekt echter een basisuitgangspunt van moraliteit tegen - namelijk dat het altijd minimaal mogelijk is voor een persoon om te doen wat moreel is. Als er twee mensen zijn in verschillende geografische locaties die acute hulp nodig hebben van Jan, zou het onmogelijk zijn voor Jan om beiden te helpen. Als Jan zelfs met de beste bedoelingen beide mensen niet kan helpen, dan kan Jan onmogelijk moreel zijn, aangezien het helpen van beiden een vereiste is van de 'broeders hoeder' moraal. En als, volgens welke ethische theorie dan ook, een goedbedoelend persoon niet moreel kan zijn, dan is de theorie niet juist.

De tweede basale fout in het morele standpunt van 'broeders hoeder' is dat het logischerwijs vraagt om absolute inkomensgelijkheid, of de voorstanders dit nu beseffen of niet. Bedenk namelijk dat deze moraal predikt dat het een morele plicht is van diegenen die meer bezitten om te delen met diegenen die minder hebben. Piet, die 100 euro heeft, deelt met Richard die slechts 5 euro heeft, door Richard 10 euro te geven. Piet heeft nu 90 euro en Richard 15. Iemand zou kunnen denken dat Piet de verplichtingen van de delende moraal gevolgd heeft. De filosofie stelt dat het de plicht is van alle mensen die meer hebben om te delen met de minderbedeelden. En Piet heeft nog steeds meer dan Richard. Als Piet zich moreel wil gedragen volgens het 'broeders hoeder' standpunt, dan zal hij weer moeten delen met Richard. Het delen kan alleen eindigen als Richard niet minder heeft dan Piet.

Het dogma van absolute inkomensgelijkheid, een onontkoombaar gevolg van de 'broeders hoeder' filosofie, zal niemand meer welvaart gunnen dan het schaarse hongerloontje dat de meest hulpeloze enkeling weet te vergaren. De 'broeders hoeder' filosofie is dus rechtstreeks en onoverbrugbaar in tegenspraak met het natuurlijke streven om je lot te verbeteren. Wie daar in gelooft, wordt verscheurd door fundamenteel tegenstrijdige opvattingen en dat leidt natuurlijk tot hypocrisie. Hoe moet je mensen, die claimen de 'broeders hoeder' filosofie te belijden en desondanks beschikken over goed gevulde provisiekasten, een TV, een stereo-installatie, een auto, juwelen, en onroerend goed anders noemen, terwijl in vele delen van de wereld mensen honger lijden? Dogmatisch bevestigen zij hun toewijding aan de gelijkheid, maar tegelijkertijd ontkennen ze dat hun weelderige rijkdommen ook maar op enigerlei wijze in tegenspraak zijn met deze toewijding.

Één van de verklaringen die zij geven is dat ze een bepaald niveau aan welvaart en welzijn nodig hebben om hun banen te behouden, zodat ze het geld kunnen verdienen dat aan de armen wordt geschonken. Uiteraard is het waar dat de hoeder van z'n broeders zijn eigen vermogen om z'n broeders te onderhouden in stand moet houden. Zijn ondergang als gevolg van de hongerdood wordt niet vereist door de 'broeders hoeder' filosofie.

De welvarende hoeder van z'n broeders ziet zichzelf in een vergelijkbare positie als de slaaf die wordt gehouden door een 'redelijke' slavenhouder. De slaaf moet immers op z'n minst gezond zijn en zich goed voelen, tevreden zijn zelfs, als hij geacht wordt productief te zijn ten behoeve van de houder. De welvarende hoeder van z'n broeder heeft zichzelf in feite tot slaaf gemaakt, ten behoeve van de verdrukten die hij ondersteunt. Hij heeft het inkomen vergaard dat hij nodig heeft om zijn naaste het beste te kunnen dienen. Zijn rijkdom en levensstandaard komen precies overeen met wat een redelijke, naar winstmaximalisatie strevende slavenhouder hem zou gunnen. Alles wat hij heeft wordt slechts in die mate genoten en met als enige doel het vergroten en/of behouden van zijn economische vermogen om diegenen te helpen, die slechter af zijn dan hij, volgens zijn redenering.

Een hoeder van z'n broeder die zijn bezit op deze manier verklaart, zou misschien nog net de waarheid vertellen als hij op een zolderkamertje zou wonen. Maar wat te denken van de doorsnee persoon die claimt de moraal van de 'broeders hoeder' te belijden - de ambtenaar met een bescheiden salaris die in een klein flatje in Amsterdam woont? Men kan toch niet serieus beweren dat de bezittingen die hij heeft verworven nodig zijn ter ondersteuning van zijn productiviteit - vooral wanneer je bedenkt dat deze bezittingen zouden kunnen worden verkocht voor geld, waarmee de verdrukten enorm mee geholpen zouden zijn.

Alles behalve een gezegende activiteit zijnde, kan bijdragen aan liefdadigheid schadelijke effecten hebben. Daar komt bij dat de morele theorie waar het op gebaseerd is vol zit met tegenstrijdigheden en degenen die vinden dat zij ernaar moeten handelen tot hypocrieten maakt.

Walter Block

Dit hoofdstuk komt uit het boek "Defending the undefendable". Vertaling door Erik Driessens.

Gerelateerde link:
- Amazon.com: Charles Murray - Losing Ground: American Social Policy, 1950-1980. Murray toont hierin aan dat de verzorgingssstaat zeer negatief heeft uitgepakt voor de minderbedeelden in de V.S. zoals de zwarte bevolking.
Plaats reactie - 11 reactie(s):

10-jun-2003    Koos - wilt_comma_koosGEEN@SPAMyahoo.com

Juist ja! Laat mensen met pech gewoon verrotten. Ik bedoel, dat macht het ras mal schwach, diese tendenzen om te helpen.

Ik geloof echt dat het onfantsoen hier toegeslagen heeft. Natuurlijk denken niet alle libertariers zo.

Een Amerikaanse vrouw wordt verkracht tijdens een wandeling in Frankrijk. Eerst wordt ze met stenen bewusteloos geslagen, dan herhaalde malen verkracht.

Haar vrienden wijten haar verkrachting aan haar genetische 'make-up', en laten haar stikken. Als ze niet voldoende traumaweerstand heeft hoort ze niet in de gene pool! Terug in de VS eindigt ze dakloos in New York.

Eigen schuld, dikke bult. Had ze maar niet in Frankrijk moeten gaan wandelen of meer traumaweerstand moeten bezitten.

Leuke vent, die Block.


02-jul-2003    Allure

Ja, ga lekker niet bijdragen aan liefdadigheid vergelijken met een verkrachting.

Leuke vent, die Koos.


05-jul-2003    boer_bavo

Krijgen succesvolle mensen meer kinderen?
Dit artikel suggereert van wel, mijn indruk is dat het in België eerder omgekeerd is.


25-jul-2003    kempenaer - hullie_en_zullieGEEN@SPAMhotmail.com

Als de wereld één overheid zou hebben, zou het inderdaad zo zijn dat wij veel meer zouden moeten geven aan de armen in de derde wereld. Zoveel tot ze op een bepaald bestaansminimum zouden zitten.

Het gevaar met bestaansminima is dat ze altijd verhoogd kunnen worden en aangevuld met weinig transparante extra subsidies zoals huursubsidie. Als dit zich ongebreideld voortzet, waar het in Nederland wel naar uitziet, dan leidt dat op den duur naar inkomensgelijkheid en we weten allemaal waar dat toe leidt. Zie de Sovjet Unie.


05-mrt-2004    Joost de Kraker

Aiaiai. Wat een jammer verhaal, vol verkeerde uitgangpunten en onbegrip. Waarom doen we hier zo moeilijk over?

Liefdadigheid moet vrijwillig zijn. Punt. Maar het zou goed zijn als iedereen wat van zijn rijkdom deelt. Niet voor de armen, want die worden er niet beter van. Ik denk niet dat er iets van mijn giften die naar Africa gaan echt goed besteed worden, het is helaas een bodemloze put en zal het nog lang zijn. MAAAARRR: Het afstaan van wat rijkdom is goed voor de gever zelf. Mensen die in staat zijn om te delen zullen gelukkig zijn dan de zuurpruimen die op hun geld willen zitten. Medeleven is uiteindelijk een positieve karaktertrek.
Alles onder voorwaarde dat het vrijwillig is. Alle staatbemoeienis en socialisme -> weg ermee!

Tip aan de auteur: Lees eens iets meer in de Bijbel voordat je over 'broeders hoeder' begint.


05-mrt-2004    Speedy

Joost schrijft: ”Lees eens iets meer in de Bijbel voordat je over 'broeders hoeder' begint”

Christenen zijn wel de laatste mensen die weten wat liefdadigheid is. Die beweren immers met een stalen gezicht dat als je een mantel hebt en je medemens niet dat je die mantel dan in twee moet delen en je medemens de helft moet geven. Dat is wel het stomste wat je kan doen, zo ga je ALLEBEI dood van de kou !

Uiteraard zullen in een libertarische samenleving mensen op persoonlijke basis of via speciaal daarvoor opgerichte verenigingen aan liefdadigheid doen. Het is immers storend om te zien als in een moderne en beschaafde samenleving mensen in de goot liggen te sterven van honger, kou en ziekte. Daarnaast is er een praktische kant voor liefdadigheid, en wel om twee redenen:

Ten 1e:
Hoe meer armen, des te meer misdaad. Zolang de misdaad gering is, zullen mensen het weinig zinvol vinden om veel geld aan extra beveiligingsmaatregelen te besteden. Dan geeft men het geld liever aan de armen om groei van de misdaad te voorkomen. Als de misdaad echter grote vormen heeft aangenomen wordt het meer economisch om je ‘beschermingsgeld’ in beveiligingsmaatregelen te steken in plaats van het aan de armen te geven. Hier speelt ‘economy of scale’ een rol.

‘Economy of scale’ ligt ook ten grondslag aan de 2e reden:
Inkomensherverdeling leidt tot betere benutting van het totaal beschikbare kapitaal, want dat wordt door de eigenaar vaak zeer oneconomisch ingezet. Een rijk iemand die 30 miljoen per jaar voor eigen gebruik uitgeeft (auto’s, huizen, boten, vliegtuigen, kleding, reizen, eten en drinken, etc, privé uitgaven dus, géén bedrijfsinvesteringen!) koopt hiervoor in aantallen veel minder dan de duizend mensen samen die voor hetzelfde doel slechts 30.000 per jaar kunnen uitgeven. De kapitaalgoederen uit de massaproductie draaien echter rendabeler als de productieaantallen groter zijn. Daarom kan een rijk iemand beter een deel van zijn inkomen aan arme mensen geven die er dan weer goederen van kopen die in zijn fabrieken zijn gemaakt. Zo rendeert zijn kapitaal beter. De inkomensherverdeling die de meeste overheden als onderdeel van hun armoedebestrijding uitvoeren zorgt voor een stijging van het gemiddelde koopkrachtniveau. Dat vergroot het welvaartsniveau van iedereen, dus ook van de rijken die hun geld eerst voor een deel hebben moeten afstaan.

Wat echter tegen liefdadigheid werkt is dat het voor de ontvanger uiterst vernederend is. Iemand met een beetje gevoel voor eigenwaarde zou, ook al heeft hij/zij het hard nodig, nooit zomaar geld van een ander aanpakken.


“Het is niet vanwege de goedheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij ons eten verwachten, maar vanwege hun eigenbelang.”
-- Adam Smith


07-mrt-2004    Joost

@Speedy: Sorry, maar ook dit staat niet in de Bijbel. Ik word helemaal gek van allerlei lieden die denken te weten wat er in de Bijbel staat. Maar evengoed:

Jezus zegt (Lucas 3:11) (Sorry, nieuwerwetse vertaling)
"Als u twee jassen hebt", antwoordde hij, "geef dan één ervan aan iemand die er geen heeft. Als u eten over hebt, geef het aan iemand die honger heeft."

Ver staat in Mattheus 5:41:
Als u voor het gerecht wordt gebracht en uw hemd moet afstaan, geef dan ook uw mantel.

en dat is dan niet in de context van liefdadigheid. Ik houd me aanbevolen voor een bijbelgedeelte dat handelt over een halve mantel en liefdadigheid.

Over jouw bijdrage: Het is inderdaad zo dat de bijstand allerlei sociale onrust afkoopt, we willen geen rode revolutie (soort intranationaal Marshall-plan). Dit is uiteindelijk ook de reden dat zelfs de meest harde (serieuze) VVD'er uiteindelijk toch de bijstandswet steunt...


08-mrt-2004    Speedy

Joost, zoals je ongetwijfeld weet is het verhaal van die halve mantel onderdeel van de legende van Sint Maarten. Dat staat inderdaad niet in de bijbel, maar dat heb ik ook niet beweerd.

Voor de niet-ingewijden: Sint Maarten is voor christenen een belangrijk feest, het staat in het teken van gezellig samenzijn en delen. Volgens de legende kwam de jonge Italiaanse legeraanvoerder “Martinus de strijdbare” in 334 met zijn legeronderdeel aan bij de Franse stad Amiens. Daar trof hij een bedelaar voor de poort die het koud had. Martinus sneed toen zijn mantel in tweeën en gaf de arme bedelaar de helft. Die nacht verschijnt in zijn droom Christus aan zijn bed met om zijn schouders de halve mantel van de bedelaar. En Christus zegt tot de engelen: “Ziehier Martinus, niet eens gedoopt en toch heeft hij mij gekleed.” Hierop besluit Martinus zich te laten dopen, hij verlaat het leger en wijdt zijn verdere leven aan het geloof.

Waarom gaf Martinus niet zijn hele mantel, in plaats van hem kapot te snijden ? Christenen proberen dit onzinnige gebaar altijd goed te praten door te zeggen dat Martinus een verstandig man was. Hij had zijn hele mantel kunnen geven maar deed dat met opzet niet. Enerzijds moet je geen roofbouw op jezelf plegen en alles wegschenken, want dat maakt je zelf tot een bedelaar, en anderzijds krijg je als bedelaar slechts een halve mantel, omdat je dan de andere helft op eigen kracht moet verwerven. Door liefdadigheid niet te verstikkend te laten zijn denken christenen de ander in zijn waarde te laten en die persoon zo de kracht te geven om uiteindelijk het heft zelf weer in eigen hand te nemen.

Dit is volslagen onzin. Met een halve mantel ga je slechts langzamer dood van de kou. Ook voor bedrijfsinvesteringen zijn er drempelbedragen waaronder je niet kunt gaan zonder de rentabiliteit van de investering in gevaar te brengen. Te hoge belastingdruk verhindert essentiële investeringen en is dus fnuikend voor de economie.

Vraag het maar aan iedere steuntrekker, de bijstand is niet genoeg om van te leven. Een laagbetaald bijbaantje is zinloos want dat wordt verrekend met de uitkering. Je hebt pas voldoende geld als je ruim boven het bijstandsniveau verdient en helemaal uit de bijstand kunt. Liefdadigheid volgens het christelijke principe van “de halve mantel” (of belastingdruk volgens het socialistische principe van “de sterkste schouders”) rekt het stervensproces alleen maar en is daarom onverantwoord.

Iemand wel genoeg geven om van te leven is ook fout, want dan ontneem je mensen ieder initiatief om op eigen benen te staan.

De enige goede oplossing is om helemaal niet aan liefdadigheid te doen, maar armoede als een economische uitdaging te zien. Arme mensen hebben gewoon niet genoeg geld om de dingen te doen die ze graag willen, dus moeten ze doen wat ieder ander doet die niet genoeg geld heeft om te doen wat–ie wil, nl. sponsors zoeken, c.q. geld lenen.

Dat lukt uiteraard alleen als je er als “bedelaar” wat voor terug doet (nu of later). Voor wat, hoort wat. Dan worden we er allemaal beter van. Die mentaliteit ontbreekt helaas bij veel steuntrekkers en andere subsidieverslaafden (denk aan de miljoenen mensen die hun hand ophouden voor huursubsidie, hypotheekrente-aftrek, landbouwsubsidie, enz.).


“Geef al uw geld aan de arme mensen ….Als zij hetzelfde doen heb je het morgen misschien al terug”
-- Herman Brusselmans (Vlaams schrijver)


02-mei-2004    Germen Roding - infoGEEN@SPAMeoos.nl

De oplossing voor dit dilemma is denk ik sociale waardering te geven voor liefdadigheid.
We zien dat puissant rijke mensen als Bill Gates een groot deel van hun bezit weggeven aan een goed doel omdat ze hier hun ego mee voeden.

Een persoon die een mens in ECHTE nood (waarbij ik het niet heb over fraudeurs) zou laten stikken, zou aan de kaak woren gesteld als een harteloze klootzak en hiermee zijn kansen op het verdienen van meer geld verkleinen. Om niet te spreken over salaris.


17-aug-2004    Ralph - zla_834GEEN@SPAMhotmail.com

"Indien aalmoezen alleen uit medelijden gegeven werden, waren de bedelaars allemaal al verhongerd." (Nietzsche)


11-aug-2005    Klazien

Veel mensen dragen bij aan liefdadigheid om zich daardoor goed te voelen cq een aangepraat schuldgevoel te sussen. Fout!

Dan vraag je je namelijk niet af of je 'goede daad' ook een goed EFFECT heeft. Geef je bijvoorbeeld geld aan het Liliane Fonds om baby's in Afrika te redden, draag je bij aan het vergroten van de overbevolking. Die overbevolking leidt weer tot de volgende burgeroorlog, waarbij rebellen van de geredde baby's de armpjes afhakken. Of tot de volgende hongersnood waarbij ze alsnog allemaal dood gaan.

Geef liever uit medemenselijkheid en om je plicht als mens tegenover je zusters en broeders te vervullen. Gebruik je verstand bij het doen van goede daden. Draag bijvoorbeeld bij aan scholing van vrouwen, bedrijfsleningen aan moeders en voorlichting over geboortebeperking. Met meer kennis en geld bij de vrouwen, krijgen ze meer invloed, komen er minder kinderen en hoeven mensen elkaar niet af te slachten om een beetje landbouwgrond.

Draag bij aan het installeren van democratische regeringen via de VN etc., zodat geen boeven de landen besturen, die mensen vermoorden voor het bezit van diamanten en olie.

Denk na!


 
 
Printversie Email dit artikel




MeerVrijheid 2001 - 2007